Artist Statement

De natuur is voor mij een onuitputtelijke inspiratiebron, met name het dierenrijk. Ik beschouw het dier als meest authentieke organisme op onze aarde. Deze schaamteloze wezens met hun bijzondere uiterlijk, enorme levenslust en aanpassingsvermogen intrigeren mij voortdurend. Het is de schoonheid die ik wil vastleggen en laten zien. Ik wil je laten verwonderen over datgene wat als gewoon beschouwd wordt. Ik wil het bewustzijn verhogen voor onze rijke natuur, een wonderlijke wereld waar men steeds verder van verwijderd lijkt te raken.

De natuur als inspiratiebron

In mijn monumentale werken op papier combineer ik mijn liefde voor de natuur, vormen en kleur. Verscheidene thema's komen aan de orde bij het denken aan, het zien van en het zijn in de natuur. Ze is meedogenloos, esthetisch, krachtig, vergankelijk en authentiek. Alles in de natuur heeft een reden. Niets is zonder functie. Zij past zich voortdurend aan om te kunnen overleven. De natuur is een leermeester voor de mens. Een bron van levenslust. Alles in de natuur wil groeien, bloeien en zijn bestemming bereiken. Dit is inspirerend en werkt relativerend. De natuur laat ons zien dat we los moeten laten, afscheid nemen, opbouwen, afbreken en weer opbouwen. Ze laat zien dat je de tijd moet nemen, je niet moet overhaasten. Je hoeft zelfs geen mening te hebben over de natuur. Je mag er gewoon zijn. De natuur is wat het is. Het is de basis van wie wij zien. Na duizenden jaar beschaving blijft de natuur ons boeien, alsof zij zich ondanks de vooruitgang, nog ergens in ons bevindt.

“Die Rose ist ohne Warum. Sie blühet, weil sie blühet. Sie achtet nicht ihrer selbst, fragt nicht, ob man sie siehet.” – Angelus Silesius, Duitse mysticus, 17e eeuw. De roos heeft geen waarom, zij bloeit omdat zij het doet. Zij schenkt geen aandacht aan haarzelf en vraagt zich niet af of anderen haar waarnemen.

Verwondering



Mensen verwonderen zich niet meer zo snel. We hebben minder aandacht voor de dingen in het leven en willen het liefst zoveel mogelijk tegelijk doen. Men kijkt niet meer waar hij is maar waar hij naar toe wilt. We hebben steeds meer, maar zijn steeds minder tevreden. Terwijl teveel, minder is dan genoeg. Hoe meer we ons focussen op materialistische waarden of status en imago, des te depressiever en angstiger we worden. We vechten tegen de tijd. Tegen de natuur. We willen allemaal oud worden maar niemand wil oud zijn, en er al helemaal niet zo uit zien. We lijken niet te kunnen accepteren dat wij een tijdelijk natuurverschijnsel zijn. Daar hoort naast groei en bloei, afsterven ook bij. Kunstenaar Sam Dillemans sprak treffend over verwondering en over de mens:

Met alle mogelijkheden van nu, blijft niemand meer langs de kant van de weg staan om een boom te bewonderen. Dit gebeurt zelden. Als het dan toch gebeurt dan is het ingepland op zondagmiddag met de kinderwagen. Vandáág gaan we naar de bomen kijken. Of ze gaan ze naar een tentoonstelling van hedendaagse kunst, hoe moderner hoe beter. Want dan zijn ze hip en trendy en gaan ze mee met de tijd. Ze willen niet aangezien worden als achterblijver. Hoewel ze dat eigenlijk wel zijn. Zij zijn verouderd maar toch denken ze dat ze met de tijd meegaan. Meegaan met de tijd is altijd creperen. Dat is het probleem. Je moet niet meegaan met de tijd, je moet meegaan met de poëzie. Je moet meegaan met alles wat boven de tijd staat, wat niets met de tijd te maken heeft. Dan heb je kans om dichter bij dat goddelijke te komen.”

Het Antropoceen - het tijdperk van de mens

Gouverneur Isaac Stevens wenste in 1855 het land te kopen van Seattle, opperhoofd van de Dwamish-Indianen. Seattle hield een toespraak die vandaag de dag nog steeds van toepassing is. “Hoe kun je de lucht, de warmte van het land kopen of verkopen? Als wij de prikkeling van het water niet kunnen bezitten, hoe kunt u het van ons kopen? (...)Wat heeft het leven voor zin als een man niet meer de eenzame kreet van de nachtuil kan horen of het praten van de kikkers rond het meer in de avond? (...) De lucht is kostbaar voor de rode man, want alles deelt dezelfde lucht. De dieren, de bomen, de mensen, alles heeft deel aan dezelfde lucht. Hoe kan de mens zijn moeder bezitten? (...)Wat is de mens zonder de dieren? Als al de dieren weg zijn, zal de mens sterven aan een gevoel van grote eenzaamheid. Want wat er gebeurt met de dieren, gebeurt spoedig met de mens. Alle dingen hangen samen. Wij zijn een deel van de aarde en de aarde is een deel van ons.

Dieren bestaan al meer dan tweeduizend keer langer dan de mens. Alle planten- en diersoorten doen hun best om bij te dragen aan de ecologie; de omgeving waarin ze leven. Ze leven in harmonie met elkaar, ze nemen alleen wat ze nodig hebben. Hierdoor heeft elk plant- en diersoort genoeg tijd om weer op te bloeien en te blijven bestaan. Maar sinds het diersoort mens zijn intrede deed op het aardse toneel, is er een hoop veranderd. Oermensen hadden respect voor de natuur. Zij tekenden 36.000 jaar geleden dieren op grotwanden. Bizons, neushoorns, beren en mammoeten. De oermens tekende zichzelf niet. Hij tekende andere levenssoorten. Hij was zich van hun bestaan bewust. Zij vreesden hen, waren aan de natuur onderworpen. Nu zijn de rollen omgekeerd. De wildernis is aan de mens onderworpen. De landbouw heeft het landschap veranderd. De natuur heeft voor de beschaving geweken. Haar bestaan wordt gedoogd maar heeft nu een ander nut. Wilde dieren worden vervangen door een getemde, nuttige wereld die ons voedt of vermaakt. Een wereld in dienst van de mens. Het dier is een product geworden.

Wij mensen lijken wel passagiers op deze aarde. De mens heeft een parasitaire relatie met de natuur. Hij is als de bloedzuiger, de lintworm of de koekoek; hij geeft niets terug aan zijn gastheer. Hij neemt alleen.” – Koert van Mensvoort, filosoof.